MOB-versie | Naar grote versie






valse vrienden

amigos falsos

 

Ken je Spaanse woorden die iets heel anders betekenen dan het Nederlandse woord dat erop lijkt? Laat het ons weten via de contactpagina.

 

Spaans betekenis valse vriend 
(met Spaanse of Ned. vertaling) 
advertencia waarschuwing advertentie (anuncio)
aguacate avocado (vrucht)

avocado: participio van

avocar (oproepen voor rechtbank)

alumno  leerling, student  oud-student (exestudiante) 
anuncio advertentie una advertencia (een waarschuwing)
autobombo  zelfverheerlijking  bomauto (coche bomba)
bizarro dapper bizar (raro)
bizcocho cake

biskwietje (una galleta)   

bosque (un) bos un ramo (bos, boeket)
brutal bruut, wreed brutaal (grosero, impertinente, maleducado) 
bulbo bloembol een bolletje brood (un bollo)
burro ezel boter (mantequilla)
cargador sjouwer  cargadoor (corredor marítimo)
carta brief

een kaart (una tarjeta)

een landkaart (un mapa)

carpeta map een karpet (una alfombra)
cerveza bier een servies (una vajilla, un servicio)
claustro kloostergang een klooster (un monasterio, un convento)
cola staart een Coca-Cola, een Pepsi (una coca-cola o una pepsi-cola)
cómico komiek een stripverhaal (una tira cómica)
concurrente (el/la) deelnemer,-neemster concurrent, rivaal (el rival)
constiparse verkouden worden constipatie krijgen (estreñirse)
copa glas met voet een kop (una taza)
cumplido complimentje aanvulling (un complemento)
dar clase les geven, les krijgen Dit is een buitenbeentje. Er zijn twee betekenissen, de context is hier bepalend.
dichoso, -a verdomd, vervloekt; gelukkig, fortuinlijk Dit is een buitenbeentje. Er zijn twee betekenissen, de context is hier bepalend.
dieta eetgewoonte, dieet vermageringsdieet (un régimen)
embarazada zwanger

embarrasseren,

verlegen maken (avergonzar)

en absoluto  helemaal niet absoluut (totalmente)
endivias (las) witlof, Brussels lof

andijvie (la escarola)

colecitas de Bruselas = spruitjes

enseñar onderwijzen, doceren, aanleren leren (aprender)
éxito (el) het succes de uitgang (la salida)
gracioso, -a grappig gracieus (elegante; ook wel: gracioso)
gente de mucho peso belangrijke mensen

mensen met veel gewicht, dikke mensen

globo (el) de ballon de bal (el balón)
un guante een handschoen een want (una manopla)
ho(s)telería horeca horeca (geen Spaans!): hotel, restaurant, café
 imán (un) een magneet; een imam (islam)  
lado kant, zijde lade (cajón)
ladera helling lade (cajón)
masa (la) het deeg de menigte (la multitud, muchedumbre)
manco, manca eenarmige kreupele, manke (cojo, coja)
marinero (el) de matroos de marinier (el  infante de marina)
mota (la) pluisje, stofje mot (polilla)
oeste  west  oost (el este) 
pan brood pan (la sartén)
pensionar(se) een (sociale) uitkering krijgen/geven met pensioen gaan (jubilarse)
perro falso namaakhond valse hond (perro malo)
pisar betreden pissen (orinar)
profesor (un) leraar een professor (un catedrático)
quince días twee weken

NL: 14 dagen

Spaans: 15 dagen

refrán (un) spreekwoord, een gezegde een refrein (un estribillo)
regla  regel, een voorschrift een regel in een tekst (un renglón)
riesgo  risico un rísico: klinkt Spaans, maar bestaat niet.
social maatschappelijk sociaal (in omgang) = sociable
sopa een soep een sop (un agua jabonosa)
taza een kop een draagtas (una bolsa) 
turismo toerisme; personenauto De betekenis 'personenauto' kan verwarring wekken. 
vaso glas een vaas (un florero)