7093 actieve gebruikers

Inloggen bestaande gebruiker
Aanmelden nieuwe gebruiker

Naar mobiele versie



Weetwoorden, idioom e.d. | werkwoorden in context


Construcciones verbales

(Werkwoordconstructies)

 

acabar = eindigen, voltooien

acabar de + infinitief = zojuist iets gedaan hebben

  • ¿A qué hora acaba la película?
    (Hoe laat eindigt de film?)
  • Paco ha acabado los estudios.
    (Paco heeft zijn studie afgerond.)
  • El autobús acaba de llegar.
    (De bus is zojuist aangekomen.)

 

acabarse = opraken, uitraken

  • Se ha acabado el café.
    (De koffie is op.)
  • Se acabó.
    (En nu is het uit!)

 

acordar = besluiten, afspreken

  • ¿Acordamos este precio?
    (Spreken we deze prijs af?)

 

acordarse = zich herinneren, denken aan

  • ¿Te acuerdas de tu primera maestra?
    (Herinner jij je eerste juf?)
  • ¿Has acordado llevar el regalo para Ana?
    (Heb je eraan gedacht het cadeau van Ana mee te nemen?) 
  • No me acuerdo bien.
    (Ik weet het niet goed meer.)

 

aprobar = slagen, laten slagen, goedkeuren

  • He aprobado el examen final.
    (Ik ben geslaagd voor het eindexamen.)
  • El profesor ha aprobado a todos los alumnos.
    (De lerares heeft alle leerlingen een voldoende gegeven.)
  • El acta queda aprobada.
    (De notulen zijn goedgekeurd.)

 

bajar = afdalen, uitstappen, verminderen, downloaden

  • Tenemos que bajar en la próxima parada.
    (We moeten bij de volgende halte uitstappen.)
  • Por favor, ¡baja el volúmen de la música!
    (Alstublieft, zet het geluid van de muziek wat lager!)
  • ¿Conoces buenas páginas para bajar música latina?
    (Ken jij goede websites om 'latin music' te downloaden?)

 

caer = bevallen, vallen

  • Tu amigo me cae bien.
    (Jouw vriend mag ik wel)
  • Hoy ha caído mucha nieve.
    (Vandaag is er veel sneeuw gevallen.)

 

caerse = vallen

  • Cuando estoy nervioso, se me cae el pelo.
    (Als ik nerveus ben, valt mijn haar uit.)

 

cambiar = veranderen, overstappen, ruilen

  • ¿Cuándo cambias de casa?
    (Wanneer ga je verhuizen?)
  • ¿Dónde tenemos que cambiar de tren?
    (Waar moeten we overstappen?) 

 

cambiarse = zich omkleden

  • Quiero cambiarme antes de la cena.
    (Ik wil me graag omkleden voor het diner.)

 

conocer = kennen, leren kennen

  • Conozco a Pedro desde la escuela primaria.
    (Ik ken Pedro al sinds de basisschool).
  • Nos conocimos durante nuestra estancia en el Panamá.
    (Wij leerden elkaar kennen tijdens ons verblijf in Panama.)

 

contar = tellen, vertellen, rekening houden met

  • Contar chistes.
    (Moppen vertellen.)
  • Que no cuentes conmigo.
    (Reken niet op mij.)
  • ¿Te cuento una anécdota?
    (Zal ik je een grappig verhaal vertellen?)

 

dar= geven,vertonen, uitzien op, veroorzaken, slaan, zeggen

  • Mi abuela me dio este anillo.
    (Mijn oma heeft me deze ring gegeven.)
  • La profesora da clases de inglés.
    (De lerares geeft Engelse les.)
  • ¿A qué hora dan el documental?
    (Hoe laat vertonen ze de documentaire?)
  • Mi piso da a la bahía.
    (Mijn flat kijkt uit op de baai.)
  • Las arañas me dan miedo.
    (Ik ben bang voor spinnen.)
  • Eso da mucho que hablar.
    (Dit geeft aanleiding tot veel praatjes.)
  • El reloj da las doce.
    (De klok slaat twaalf uur.)
  • Esta mañana Juan me ha dado los buenos días.
    (Vanochtend heeft Juan mij goedendag gezegd.)

 

dejar = laten, stoppen met, lenen, verlaten

  • ¿Dónde dejo la chaqueta?
    (Waar laat ik mijn jas?)
  • Marcos ha dejado los estudios.
    (Marcos is gestopt met zijn studie.)
  • Rita dejará de fumar por fin.
    (Rita gaat eindelijk stoppen met roken.)
  • Juan me ha dejado su moto.
    (Juan heeft mij zijn scooter geleend.)
  • Cuando se vayan, dejen la casa limpia.
    (Als u weggaat, laat het huis schoon achter.)

 

dejarse = vergeten

  • Soy un desastre: me he dejado las llaves en casa.
    (Ik ben een ramp; ik heb de sleutels thuis gelaten.)

 

encontrar = vinden, menen

  • Encontré un monedero en la calle.
    (Ik heb een portemonnee op straat gevonden.)
  • Lo encuentro caro.
    (Ik vind het duur.)

 

encontrarse = zich bevinden, zich voelen, ontmoeten

  • Mañana me encontraré en Granada.
    (Morgen ben ik in Granada.)
  • Me encuentro mal.
    (Ik voel me slecht.)
  • ¿Dónde nos encontramos?
    (Waar ontmoeten we elkaar?)

 

faltar = ontbreken, verzuimen

  • ¿Falta mucho?
    (Is het nog ver?)
  • Ayer falté a clase.
    (Gisteren was ik niet in de les.)
  • Faltan dos semanas para las vacaciones.
    (Over twee weken is het vakantie.)
  • Me falta espacio.
    (Ik heb ruimtegebrek.)

haber de + infinitivo = (zeker) moeten

  • Hemos de llegar pronto. 
  • (We moeten nu wel snel aankomen.)
llamar = bellen, noemen, roepen
  • Llaman a la puerta, ¿Abres tú?
    (Er wordt gebeld. Doe jij open?)
  • A Francisco lo llaman Pancho.
    (Francisco wordt Pancho genoemd.)

 

llamarse = heten

  • Mi colega se llama Patricio.
    (Mijn collega heet Patricio.)

llegar a + infinitivo = uiteindelijk ..

no llegar a + infinitivo = er niet in slagen

  • ¿Llegaron a hacer las paces?
    (Hebben zij uiteindelijk vrede gesloten?)
  • León no llega a memorizar el vocabulatio.
    (León slaagt er maar niet in de woorden te onthouden.)
llevar = dragen, brengen, bij zich hebben, (iets) al doen
  • ¿Lleváis paraguas?
    (Hebben jullie een paraplu bij je?)
  • Letizia lleva el pelo largo.
    (Letizia heeft lang haar.)
  • La palabra España lleva mayúscula y tilde.
    (Het woord España krijgt een hoofdletter en een tilde.)
  • La paella lleva ajo.
    (Er zit knoflook in de paella.)
  • Angélica lleva ya tres años en México.
    (Angélica woont al drie jaar in México.)
  • El abuelo lleva ya dos horas durmiendo la siesta.
    (Opa doet al twee uur over zijn middagdutje.)

 

llevarse bien/mal = het goed/ slecht kunnen vinden, ondervinden

  • Andrés se lleva bien con su vecino.
    (Andrés kan het goed vinden met zijn buurman.)
  • Carolina se llevó una gran sorpresa al vernos.
    (Voor Carolina was superblij verrast ons te zien.)

 

pasar = doorheen gaan, passeren, doorkomen, langsgaan,

aangeven, gebeuren, overgaan

  • ¿Puedo pasar?
    (Mag ik even langs?)
  • La maestra pasa lista.
    (De juf neemt de absenten op/loopt de lijst langs.)
  • Pásame la pelota.
    (Speel mij de bal eens door.)
  • ¿Qué te pasa?
    (Wat is er met je aan de hand?)
  • ¿Qué pasa?
    (Wat gebeurt er?)
  • ¿Has pasado de curso?
    (Ben je overgegaan (op school)?)
  • Hemos pasado la frontera con Portugal.
    (We zijn de grens met Portugal overgegaan.)
  • Lo pasamos muy bien en Mallorca.
    (We hebben het fijn gehad op Mallorca.)

 

preguntar/pedir

preguntar = vragen naar informatie, een vraag stellen over iets

pedir = vragen om een object, een gunst of om een service te krijgen

 

  • Juan me pregunta dónde vivo.
    (Juan vraagt me waar ik woon.)
  • Voy a preguntar a mi colega si él sabe algo.
    (Ik ga aan mijn collega vragen of hij op de hoogte is.)
  • Te llamaré para preguntar sobre tu viaje.
    (Ik zal je bellen om dingen over je reis te vernemen.)

     
  • Tendré que pedirte ayuda.
    (Ik zal je om hulp moeten vragen.)
  • Voy a pedir otro café.
    (Ik ga nog een koffie vragen/bestellen.)
  • Carmen me pide continuamente favores.
    (Carmen vraagt me voortdurend gunsten.)

poder / saber

poder = kunnen, in staat zijn

saber = kunnen, weten, de handigheid bezitten

  • Esta tarde no puedo nadar.
    (Vanmiddag kan ik niet zwemmen).
  • Mi hija de seis ya sabe nadar.
    (Mijn dochter van zes kan al zwemmen.)

 

poner = plaatsen, leggen, (aan)zetten, dekken

  • ¿Dónde ponemos la mesa redonda?
    (Waar zetten we de ronde tafel?)
  • Mari, quieres poner la mesa?
    (Mari, wil jij de tafel dekken?)
  • Ponemos el lavavajillas después de la comida.
    (Wij zetten de vaatwasser aan na het eten.)
  • ¿Te molesta si pongo un poco de música?
    (Hindert het jou als ik een beetje muziek opzet?)

 

ponerse = worden, aandoen

  • El estudiante se puso muy nervioso durante el examen.
    (De student werd erg nerveus tijdens het examen.)
  • Si no te pones el abrigo, te pones resfriado.
    (Als je je overjas niet aandoet, word je verkouden.)

saber = weten, kennen, geleerd hebben

  • El estudiante sabe todo el vocabulario de memoria.                                               (De student kent de hele woordenlijst uit zijn hoofd.)
sacar = halen, uithalen, behalen, uitlaten, loskrijgen
  • Fátima ha sacado su carnet de conducir.
    (Fátima heeft haar rijbewijs gehaald.)
  • La ciudadora saca a los niños.
    (De oppas gaat uit wandelen met de kinderen.)
  • La vecina saca al perro.
    (De buurvrouw laat de hond uit.)
  • Tengo que sacar dinero del banco.
    (Ik moet geld halen bij de bank.)
  • Tienes que sacarle el secreto.
    (Je moet hem het geheim ontfutselen.)

 

sacarse = behalen

  • Eva quiere sacarse el título de socorrista.
    (Eva wil het certificaat eerstehulpverlener gaan halen.)
tardar en + infinitief =  erover doen, talmen, lang wegblijven
  •  El autobús tarda mucho en venir. (Het duurt lang voor de bus komt.)
  •  No tardará en volver. (Hij zal wel gauw terugkomen.)

tener = hebben, bezitten, ... jaar zijn

  • ¿Tienes coche?
    (Heb jij een auto?)
  • Tengo clase de dibujo.
    (Ik heb tekenles.)
  • Mi abuela tiene ochenta años.
    (Mijn oma is tachtig jaar.)
  • Tienes la cara dura.
    (Jij bent brutaal.)

traer= brengen, meenemen

  • ¿Me traes pan?
    (Breng je brood voor me mee?)

tener que = moeten

  • No puedo salir; tengo que trabajar.
    (Ik kan niet uitgaan; ik moet werken.)

 

volver = terugkeren

  • ¿A qué hora vuelves de la  yoga? 
  • (Hoe laat kom je terug van de yoga?)

volver a + infinitief = weer, opnieuw + infinitief

  • Han dicho en la tele que hoy volverá a llover.
    (Op de televisie hebben ze gezegd dat het vandaag weer gaat regenen.)
  • Teresa tiene que volver a hacer el examen de francés.
    (Teresa moet het examen Frans opnieuw doen.)

Atención; ¿dejar of hacer?

Als laten betekent 'toelaten, niet verhinderen, toestemming geven, alleen laten' wordt het vertaald met dejar.

  • Dejo pasar la ocasión. (Ik laat de kans voorbijgaan.)
  • No la dejo ir sola. (Ik laat haar niet alleen gaan.)
  • Déjame explicarlo. (Laat het mij even uitleggen.)

Als laten betekent 'opdragen, maken dat iets gebeurt', is de vertaling hacer.

 

  • Hacer limpiar la habitación. (De kamer laten schoonmaken.)
  • Je laat me lachen. (Me haces reír.
Atención; ¿llevar of traer?
Het woord brengen kan zowel door traer als llevar vertaald worden.
traer = brengen, meebrengen  (naar de spreker toe)
llevar = brengen, ergens anders heen brengen (van de spreker of toegesprokene af)
  • ¿Me traes pan? (Breng je me een beetje brood?)
  • ¿Quieres llevar tu mochila a la habitación? (Wil je je rugzak naar de kamer brengen?)  

 

Het werkwoord 'worden'

 

'worden' in de lijdende vorm:

 

Om 'worden'uit te drukken gebruikt het Spaans meestal se+ 3e persoon van het werkwoord. Voorwaarde is dat de persoon die de handeling verricht niet vermeld wordt.

Het werkwoord richt zich in getal naar het zelfstandig naamwoord dat volgt.

  • Se cultiva mucha fruta en España.
    (In Spanje wordt veel fruit geteeld.)
  • Se exportan muchos cítricos.
    (Er worden veel citrusvruchten geëxporteerd.)

De lijdende vorm kan ook vertaald worden met behulp van ser+ voltooid deelwoord.

Deze constructie moet worden gebruikt als de handelende persoon staat aangegeven  of erbij kan worden gedacht. De handelende persoon wordt voorafgegaan door por.

  • Los criminales fueron detenidos por la policía.
    (De criminelen werden gearresteerd door de politie.)

 

'worden' als koppelwerkwoord

 

Het werkwoord 'worden' als koppelwerkwoord, dat wil zeggen:

'worden + bijvoeglijk naamwoord en/of zelfstandig naamwoord kent in het Spaans geen directe vertaling. Er zijn verschillende vertalingen mogelijk:

 

ser bij toekomstgerichte zinnen:

  • Mi hermano quiere ser médico.
    (Mijn broer wil arts worden.)
  • Para ser mecánico hay que entender de técnica
    (Om monteur te worden moet je verstand hebben van techniek.)
  • Ana quiere ser feliz.
    (Ana wil gelukkig worden.)

 

llegar a ser bij een langdurig proces dat veel inspanning vereist:

  • Mi hermana quiere llegar a ser pianista.
    (Mijn zus wil uiteindelijk pianiste worden.)
  • El señor Sánchez ha llegado a ser director de la empresa.
    (Mijnheer Sánchez is uiteindelijk directeur van het bedrijf geworden.)

 

ponerse bij een 'spontaan' proces, altijd gevolgd door een bijvoelijk naamwoord:

  • Juan se puso enfermo.
    (Juan werd ziek.)
  • Luis se puso furioso.
    (Luis werd kwaad)

 

volverse bij een radicale verandering:

  • Este ruido es para volverse loco.
    (Dat geluid is om gek van te worden.)

 

quedarse bij het begin van een blijvende toestand:

  • Mi vecino se quedó viudo a los cuarenta años.
    (Mijn buurman werd weduwnaar op zijn veertigste.)

 

convertirse en, cambiarse en bij een geleidelijke verandering:

  • Paco se convirtió en mi mejor amigo.
    (Paco werd mijn beste vriend.)

 

cumplir ... años: ... jaar worden

  • Ayer mi abuela cumplió los cien años.
    (Mijn oma werd gisteren 1honderd jaar.)

Vaak zit de betekenis 'worden' opgesloten in het Spaanse werkwoord.

Dit is met name het geval bij werderkerende werkwoorden en bij werkwoorden die eindigen op -ecer zoals in: 

  • alegrarse (blij worden)
  • callarse (stil worden)
  • calmarse (kalm worden)
  • cansarse (moe worden)
  • despertarse (wakker worden)
  • enamorarse (verliefd worden)
  • enfadarse (boos worden)
  • enfermarse (ziek worden)
  • enojarse (boos worden)
  • mejorarse (beter worden)
  • anochecer (donker worden)
  • atardecer (avond worden)
  • enriquecerse (rijk worden)
  • enrojecer (rood worden)
  • envejecerse (oud worden)
  • oscurecer (donker worden)
  • palidecer (bleek worden)







Beter Spellen  Beter Rekenen  NU Beter Engels  NU Beter Duits  NU Beter Frans  NU Beter Spaans  Beter Bijbel  

© 2019 - NU Beter Spaans is een initiatief van  Martin van Toll Producties

in samenwerking met de redactie van NU Beter Spaans