10995 actieve gebruikers

Inloggen bestaande gebruiker
Aanmelden nieuwe gebruiker

Naar mobiele versie



Voorzetsels | a, de, para/por, bij, sinds,


het voorzetsel a

 

Het voorzetsel 'a' heeft verschillende functies en betekenissen.

 

a = aan als meewerkend voorwerp

Het voorzetsel a wordt gebruikt als meewerkend voorwerp met de betekenis aan (of blijft onvertaald).

  • Debemos dar las tareas al profesor.
    (We moeten de opdrachten aan de leraar geven.)
  • A Mónica no le interesa el fútbol.
    (Voetbal interesseert Mónica niet.)

 

voor een lijdend voorwerp

In een aantal gevallen dient om een lijdend voorwerp aan te duiden. Er is dan vrijwel altijd sprake van verwijzing naar bepaalde personen, eigennamen, groepen personen.

  • ¿Conoces a la mujer de Mario?
    (Ken je de vrouw van Mario?)
  • ¿A quién busca usted?
    (Wie zoekt u?) 

N.B. Geen wordt gebruikt als het werkwoord vergezeld gaat van een lijdend én een meewerkend voorwerp:

  • La chica nos presentó su amigo.
    (Het meisje stelde ons haar vriend voor.)

 

a = naar, in  bij (werk)woorden die een beweging uitdrukken

  • el vuelo a Málaga
    (de vlucht naar Málaga)
  • El tren llega a Amsterdam.
    (De trein komt in Amsterdam aan.)
  • Vamos de vacaciones a España.
    (We gaan op vakantie naar Spanje.)

 

a = tot (in combinatie met de)

  • de Barcelona a Madrid
    (van Barcelona naar Madrid)
  • de diez a doce
    (van tien tot twaalf)

 

a = op

  • bacalao a la vizcaína
    (kabeljauw op zijn Baskisch)
  • a los ochenta años
    (op tachtigjarige leeftijd)

 

a = om (van tijd)

  • a las tres de la tarde
    (om drie uur 's middags)
  • a medianoche
    (om middernacht)

 

a = om (van doel, bij werkwoorden van beweging)

  • He venido a decirte la verdad.
    (Ik ben gekomen om je de waarheid te zeggen.)
  • El turista vuelve al hotel a buscar su equipaje.
    (De toerist gaat terug naar het hotel om zijn bagage te halen.)

 

a = na, later

  • A los dos días desaperecieron las golondrinas.
    (Na twee dagen verdwenen de zwaluwen.)
  • Al año siguiente volvieron.
    (Een jaar later keerden zij terug.)
  • Al bajar del tren perdí mi billete.
    (Bij het uitstappen uit de trein verloor ik mijn kaartje.)

a = te

  • Vamos a pie.                                                                                             (We gaan te voet)
  • Los jinetes montan a caballo.                                                                     (Ruiters rijden paard.)
  • A caballo. (Te paard)

a = voor

  • ¡Atención a los camiones!
    (Kijk uit voor vrachtwagens!)

 

het voorzetsel 'de'

 

Het voorzetsel de wordt in het Spaans vaak gebruikt, waar het Nederlands een ander voorzetsel of een andere constructie gebruikt.

 

Voorbeelden:

  • el cine de la plaza
    (de bioscoop op het plein)
  • la fábrica de coches
    (de autofabriek)
  • la chica del bolso negro
    (het meisje met de zwarte tas)
  • una taza de chocolate
    (een kop chocolademelk)
  • tres millones de habitantes
    (drie miljoen inwoners)
  • un cartón de leche
    (een pak melk)

 

het voorzetsel 'en'

 

en = in, op, te

  • en el bolso
    (in de tas)
  • en la mesa
    (op de tafel)
  • en lunes
    (op een maandag)
  • en verano
    (in de zomer)
  • en la isla
    (op het eiland)
  • en Madrid
    (te Madrid)

en + gerundio = zodra

 

  • en oyendo el ruido
    (zodra hij het lawaai hoorde)

 

verschillen in gebruik tussen 'para' en 'por'

 

para = naar

  • el avión para Madrid
    (het vliegtuig naar Madrid)
  • Mañana saldremos para México.
    (Morgen zullen we naar Mexico vertrekken.)

 

para = met, tot, voor (van tijd)

  • para la fiesta de Reyes
    (met het feest van Driekoningen)
  • Vengo aquí para un mes.
    (Ik kom hier voor een maand.)

 

para = voor, bestemd voor, om te

  • ¿Para quién es este té?
    (Voor wie is deze thee?)
  • Un bolígrafo es para escribir.
    (een balpen is om te schrijven.)

 

por = door, via, in

  • Hay que ir por la calle de Alcalá a Cibeles.
    (Je moet via de Alcalástraat naar Cibeles gaan.)
  • El camarero pasa por entre las mesas.
    (De ober gaat tussen de tafels door.)
  • El camino de Santiago pasa por León.
    (De weg naar Santiago gaat door León.)
  • El barco pasa por debajo del puente.
    (De boot gaat onder de brug door.) 

 

por = gedurende

  • Estuvieron aquí por un año.
    (Ze waren hier gedurende een jaar.)

 

por = voor (in ruil voor, in plaats van)

  • Se venden las entradas por ochenta euros.
    (De kaartjes worden verkocht voor 80 euro.)
  • Me han tomado por otra persona.
    (Men hield mij voor iemand anders.)
  • Aquí se pagan dos euros por una bebida.
    (Hier betaal je twee euro voor een drankje.)

 

por door (bij lijdende vorm)

  • El premio fue entregado por la ministra.
    (De prijs werd uitgereikt door de minister.)

 

por + infinitief = omdat

  • Por estar enfermo, no pude venir.
    (Omdat ik ziek was, kon ik niet komen.)

 

voorzetsels die 'bij' betekenen

  • (Nuria woont bij haar ouders.)
    Nuria vive con sus padres.
  • (Hij wacht op je bij de loketten.)
    Te espera donde las taquillas.  
  • (Paco werkt nu bij een baas.)
    Paco trabaja ahora con un patrón.
  • (Dit is een gewoonte bij zigeuners.)
    Esto es una costumbre entre los gitanos.
  • (Bij het vallen van de avond keerden we terug naar huis.)
    Al atardecer volvimos a casa.
  • (Mag ik bij je komen zitten?)
    ¿Me puedo sentar contigo?
  • (Wat wil je drinken bij het eten?)
    ¿Qué quieres beber con la comida?

 

N.B.

Het Spaans gebruikt geen voorzetsel in bijv. 'op maandag'

  • (op maandag, 's maandags)
    los lunes

 

Voorzetsels bij vervoermiddelen

 

met de bus

met de fiets

met de trein

met de auto

met de boot

met het vliegtuig   

en autobús

en bicicleta

en tren

en coche

en barco

en avión

te voet a pie
te paard a caballo

 

voorzetsels en kloktijden

 

Zie ook de pagina klok.

  • ¿A qué hora empiezas hoy?
    (Hoe laat begin je vandaag?)
  • Empiezo las nueve.
    (Ik begin om negen uur.)
  • Trabajo de nueve a cinco.
    (Ik werk van 9 tot 5 uur.)
  • Trabajo desde las nueve hasta las cinco.
    (Ik werk van negen tot vijf.)
  • El tren no sale hasta las diez.
    (De trein vertrekt pas om 10 uur.)

 

voorzetsels en data

 

Zie ook de pagina data.

  • ¿Qué fecha es hoy?
    (Welke dag is het vandaag?)
  • ¿cuántos estamos?
    (Welke datum is het vandaag?)
  • Estamos ocho de enero.
    (Het is vandaag acht januari.)

 

 

sinds/vanaf/ ... geleden

 

desde (tijd/plaats) = sinds (vast moment), vanaf (vaste plek)

  • desde ayer
    (sinds gisteren)
  • desde aquí
    (vanaf hier)

 

hace = (tijdslengte) + geleden

  • Me casé hace dos años.
    (Ik trouwde twee jaar geleden.)

 

desde hace = sinds + tijdslengte

  • Desde hace dos años Paco no fuma.
    (Paco rookt al twee jaar niet.)
  • No había visto a mi amiga desde hacía dos años.
    (Ik had mijn vriendin al sedert twee jaar niet meer gezien.) 

 

NB

sinds (gevolgd door een werkwoord) =desde que

  • Desde que Aitor juega con nosotros, ganamos más partidos.
    (Sinds Aitor met ons meespeelt, winnen we meer wedstrijden.)

pas (sinds)

  • Solo hace un cuarto de hora que estoy aquí.                                                       (Ik ben hier pas een half uur)







Beter Spellen  Beter Rekenen  NU Beter Engels  NU Beter Duits  NU Beter Frans  NU Beter Spaans  Beter Bijbel  

© 2019 - NU Beter Spaans is een initiatief van  Martin van Toll Producties

in samenwerking met de redactie van NU Beter Spaans