8770 actieve gebruikers

Inloggen bestaande gebruiker
Aanmelden nieuwe gebruiker

Naar mobiele versie



Voorzetsels | voorzetsels plaats


La preposición (het voorzetsel)

 

 

Enkelvoudige en samengestelde voorzetsels

 

Alfabetisch op Spaanse woorden

 

Spaans

Nederlands

toelichting

a

aan

(meewerkend voorwerp; plaats; tijd)

a

om 

(tijd) om twee uur = a las dos

a cambio de, por

in ruil voor

 

a la derecha de

rechts van

 

a la izquierda de

links van

 

a lo largo de

langs

(beweging)

a, para

in

(beweging) Va a Madrid. = Hij gaat naar Madrid.

al lado de

naast

 

alrededor de

(rond)om 

(plaats)

ante

voor

(geplaatst voor, ten overstaan van)

antes de

voor

(tijd)

bajo

onder 

(getallen/ figuurlijk gebruik)

cerca de

(dicht) bij

(plaats)

con

met

(samen met)

conmigo = met mij

contigo = met jou

con él, ella, con nosotros etc.

contra

tegen

 

de

met

(beschrijvingen)

el chico del pelo rubio = de jongen met blond haar

de

van

 

debajo de

onder

(plaats)

delante de

voor

(plaats)

dentro de

binnen

 binnenshuis = dentro de la casa

después de

na

(tijd)

detrás de

achter

(plaats)

detrás de

na

(plaats)

durante, por

gedurende

 

en

in

(rust) Vive en Madrid. = Hij woont in Madrid.

en

met

(vervoermiddel)

en

te

 

en cuanto a

wat betreft

 

en lugar de,

en vez de

in plaats van

 

en,

sobre encima de

(boven) op

 

en, dentro de

in

(tijd)

fuera de

buiten

 buitenshuis = fuera de la casa

gracias a

dankzij

 

hasta

tot

 

junto a

langs

(rust)

para

om (te)

(doel + infinitief)

para

voor

(bestemd voor)

por

door

(door middel van, oorzaak, reden, lijdende vorm)

por

langs

(voorbij, via)

por

voor

(in ruil voor, in plaats van)

por, por motivo de  

voor, vanwege

 

por, hacia, sobre

omstreeks

 

respecto a

wat betreft

 

según

volgens

 

sin

zonder

 

sobre

over

 

 

 

Alfabetisch op Nederlandse woorden

 

Nederlands

Spaans

toelichting

aan

a

(meewerkend voorwerp; plaats; tijd)

achter

detrás de

(plaats)

(dicht) bij

cerca de

(plaats)

binnen

dentro de

binnenshuis = dentro de la casa

buiten

fuera de

buitenshuis = fuera de la casa

dankzij

gracias a

 

door

por

(door middel van, oorzaak, reden, lijdende vorm)

gedurende

durante, por

 

in

en

(rust) Vive en Madrid. = Hij woont in Madrid.

in

a, para

(beweging) Va a Madrid. = Hij gaat naar Madrid.

in

en, dentro de

(tijd)

in plaats van

en lugar de,

en vez de

 

in ruil voor

a cambio de, por

 

langs

a lo largo de

(beweging)

langs

junto a

(rust)

langs

por

(voorbij, via)

links van

a la izquierda de

 

met

con

(samen met)

conmigo = met mij

contigo = met jou

con él, ella, con nosotros etc.

met

en

(vervoermiddel)

met

de

(beschrijvingen)

el chico del pelo rubio = de jongen met blond haar

na

detrás de

(plaats)

na

después de

(tijd)

naast

al lado de

 

om (te)

para

(doel + infinitief)

(rond)om 

alrededor de

(plaats)

om 

a

(tijd) om twee uur = a las dos

omstreeks

por, hacia, sobre

 

onder

debajo de

(plaats)

onder 

bajo

(getallen/ figuurlijk gebruik)

(boven) op

en,

sobre encima de

 

over

sobre

 

rechts van

a la derecha de

 

te

en

 

tegen

contra

 

tot

hasta

 

van

de

 

volgens

según

 

voor

antes de

(tijd)

voor

delante de

(plaats)

voor

para

(bestemd voor)

voor

por

(in ruil voor, in plaats van)

voor

ante

(geplaatst voor, ten overstaan van)

wat betreft

respecto a

 

wat betreft

en cuanto a

 

wegens

por, a causa de

 

zonder

sin

 

 

 

Het voorzetsel a

 

Het voorzetsel 'a' heeft verschillende functies en betekenissen.

 

a = aan als meewerkend voorwerp

Het voorzetsel a wordt gebruikt als meewerkend voorwerp met de betekenis aan (of blijft onvertaald).

  • Debemos dar las tareas al profesor.
    (We moeten de opdrachten aan de leraar geven.)
     
  • A Mónica no le interesa el fútbol.
    (Voetbal interesseert Mónica niet.)

 

a voor een lijdend voorwerp

In een aantal gevallen dient a om een lijdend voorwerp aan te duiden. Er is dan vrijwel altijd sprake van verwijzing naar bepaalde personen, eigennamen, groepen personen.

  • ¿Conoces a la mujer de Mario?
    (Ken je de vrouw van Mario?)
     
  • ¿A quién busca usted?
    (Wie zoekt u?) 

N.B. Geen wordt gebruikt als het werkwoord vergezeld gaat van een lijdend én een meewerkend voorwerp:

  • La chica nos presentó su amigo.
    (Het meisje stelde ons haar vriend voor.)

 

a = naar, in  bij (werk)woorden die een beweging uitdrukken

  • el vuelo a Málaga
    (de vlucht naar Málaga)
     
  • El tren llega a Amsterdam.
    (De trein komt in Amsterdam aan.)
     
  • Vamos de vacaciones a España.
    (We gaan op vakantie naar Spanje.)

 

a = tot (in combinatie met de)

  • de Barcelona a Madrid
    (van Barcelona naar Madrid)
     
  • de diez a doce
    (van tien tot twaalf)

 

a = op

  • bacalao a la vizcaína
    (kabeljauw op zijn Baskisch)
     
  • a los ochenta años
    (op tachtigjarige leeftijd)

 

a = om (van tijd)

  • a las tres de la tarde
    (om drie uur 's middags)
     
  • a medianoche
    (om middernacht)

 

a = om (van doel, bij werkwoorden van beweging)

  • He venido a decirte la verdad.
    (Ik ben gekomen om je de waarheid te zeggen.)
     
  • El turista vuelve al hotel a buscar su equipaje.
    (De toerist gaat terug naar het hotel om zijn bagage te halen.)

  

a = na, later

  • A los dos días desaperecieron las golondrinas.
    (Na twee dagen verdwenen de zwaluwen.)
     
  • Al año siguiente volvieron.
    (Een jaar later keerden zij terug.)
     
  • Al bajar del tren perdí mi billete.
    (Bij het uitstappen uit de trein verloor ik mijn kaartje.)

 

Het voorzetsel 'de'

 

Het voorzetsel de wordt in het Spaans vaak gebruikt, waar het Nederlands een ander voorzetsel of een andere constructie gebruikt.

 

Voorbeelden:

  • el cine de la plaza
    (de bioscoop op het plein)
     
  • la fábrica de coches
    (de autofabriek)
     
  • la chica del bolso negro
    (het meisje met de zwarte tas)
     
  • una taza de chocolate
    (een kop chocolademelk)
     
  • tres millones de habitantes
    (drie miljoen inwoners)
     
  • un cartón de leche
    (een pak melk)

 

Verschillen in gebruik tussen 'para' en 'por'

 

para = naar

  • el avión para Madrid
    (het vliegtuig naar Madrid)
     
  • Mañana saldremos para México.
    (Morgen zullen we naar Mexico vertrekken.)

 

para = met, tot, voor (van tijd)

  • para la fiesta de Reyes
    (met het feest van Driekoningen)
     
  • Vengo aquí para un mes.
    (Ik kom hier voor een maand.)

 

para = voor, bestemd voor, om te

  • ¿Para quién es este té?
    (Voor wie is deze thee?)
     
  • Un bolígrafo es para escribir.
    (een balpen is om te schrijven.)

 

por = door, via, in

  • Hay que ir por la calle de Alcalá a Cibeles.
    (Je moet via de Alcalástraat naar Cibeles gaan.)
     
  • El camarero pasa por entre las mesas.
    (De ober gaat tussen de tafels door.)
     
  • El camino de Santiago pasa por León.
    (De weg naar Santiago gaat door León.)

 

por = gedurende

  • Estuvieron aquí por un año.
    (Ze waren hier gedurende een jaar.)

 

por = voor (in ruil voor, in plaats van)

  • Se venden las entradas por ochenta euros.
    (De kaartjes worden verkocht voor 80 euro.)
     
  • Me han tomado por otra persona.
    (Men hield mij voor iemand anders.)
     
  • Aquí se pagan dos euros por una bebida.
    (Hier betaal je twee euro voor een drankje.)

 

por = door (bij lijdende vorm)

  • El premio fue entregado por la ministra.
    (De prijs werd uitgereikt door de minister.)

 

por + infinitief = omdat

  • Por estar enfermo, no pude venir.
    (Omdat ik ziek was, kon ik niet komen.)

 

Voorzetsels die 'bij' betekenen

  • (Nuria woont bij haar ouders.)
    Nuria vive con sus padres.
     
  • (Hij wacht op je bij de loketten.)
    Te espera donde las taquillas.
     
  • (Paco werkt nu bij een baas.)
    Paco trabaja ahora con un patrón.
     
  • (Dit is een gewoonte bij zigeuners.)
    Esto es una costumbre entre los gitanos.
     
  • (Bij het vallen van de avond keerden we terug naar huis.)
    Al atardecer volvimos a casa.
     
  • (Mag ik bij je komen zitten?)
    ¿Me puedo sentar contigo?
     
  • (Wat wil je drinken bij het eten?)
    ¿Qué quieres beber con la comida?

 

N.B.

Het Spaans gebruikt geen voorzetsel in bijv. 'op maandag'

  • (op maandag, 's maandags)
    los lunes

 

Voorzetsels bij vervoermiddelen

 

met de bus

met de fiets

met de trein

met de auto

met de boot

met het vliegtuig   

en autobús

en bicicleta

en tren

en coche

en barco

en avión

te voet a pie
te paard a caballo

 








Beter Spellen  Beter Rekenen  NU Beter Engels  NU Beter Duits  NU Beter Frans  NU Beter Spaans  Beter Bijbel  

© 2019 - NU Beter Spaans is een initiatief van  Martin van Toll Producties

in samenwerking met de redactie van NU Beter Spaans