Julián, ¡(herhaal) ........ lo que te he dicho!
Julián, herhaal wat ik je heb gezegd!
repetir (i) = herhalen
repite: gebiedende wijs (jij)
repetid = herhalen jullie
repita = herhaalt u
repitan = herhaalt u (meervoud)
A (iedereen) ........ le puede pasar.
A cualquiera le puede pasar. = Iedereen kan het overkomen.
Cualquiera = iedereen, wie ook maar. Cualquiera wordt hier zelfstandig gebruikt. Als cualquiera bijvoeglijk wordt gebruikt en vóór een zelfstandig naamwoord staat, verandert het voornaamwoord in cualquier (a cualquier persona).
todo = alles
todos = allen. De optie todos was goed geweest als in de zin les in plaats van le had gestaan.
Antes de la cena mi abuela suele tomar un fino.
Vamos a comer pavo con arándanos.
arándanos = veenbessen. De arándano kan zowel een veenbes als een blauwe bosbes zijn. Heel soms voegt men er de kleur aan toe wanneer men ze benoemt: rojo (rood) of azul (blauw).
pavo = kalkoen
geroosterde amandelen = almendras tostadas
kroketten = croquetas
spruitjes = coles de Bruselas