En el parque ........ unos árboles muy altos y una fuente bonita.
In het park staan heel hoge bomen en een mooie fontein.
hay = er is, er zijn
están = zijn, zich bevinden. Estar wordt gebruikt bij een bepaald onderwerp (de bomen, de fontein). In deze zin is het onderwerp echter onbepaald (hoge bomen en een fontein).
'Son' : het werkwoord ser betekent nooit 'zich bevinden'.
Esta es la calle (waar) ........ vive Alexis.
Dit is de straat waar Alexis woont.
donde = waar
Omdat donde hier een betrekkelijk bijwoord is en geen direct vraagwoord, wordt het zonder accent geschreven.
adonde = waarheen
¿adónde? = waarheen?
¿dónde? = waar?
Miguelito tiene (vierenhalf jaar) ........ .
Miguelito is viereneenhalf jaar.
cuatro años y medio = vierenhalf jaar
Volgorde: hoofdtelwoord - zelfstandig naamwoord - y medio
medio, -a (zonder lidwoord) = half
Nos gusta comer (popcorn) ........ .
Wij eten graag popcorn.
palomitas (dulces) = popcorn
churros = gefrituurde deegstengels
patatas fritas = chips; patates frites
pipas = zonnebloempitten