(Mijn overhemd is vuil.)
Mi camisa ........ sucia.
Het betreft het koppelwerkwoord zijn + bijvoeglijk naamwoord:
De vorm está wordt gebruikt omdat het bijvoeglijk naamwoord een tijdelijke toestand aanduidt, het resultaat van een verandering.
Het overhemd is vuil (geworden).
De vorm es duidt een vaste eigenschap van het onderwerp aan zoals in: El azúcar es dulce (Suiker is zoet).
(De trein vertrekt pas om vier uur.)
El tren ........ las cuatro.
no ... hasta = niet ... vóór → in natuurlijk Nederlands: pas
De andere combinaties zijn hier niet correct.
Hoe kun je dit spreekwoord afmaken?
No hay rosas sin ........ .
espina = doorn
No hay rosa(s) sin espinas. = (Er zijn) geen rozen zonder doornen.
amor = liefde
florero = vaas
tallo = stengel
¡Qué más da!
¡qué más da! = wat maakt het (ook) uit?, wat geeft het?
dit geeft veel werk = da (mucho) qué hacer
meer is er niet = no da para más
zet 'm op! = ¡dale!