Vaya todo recto (tot) ........ la estación.
hasta = tot
vaya = gaat u
todo recto = steeds rechtdoor
cerca de, junto a = (dicht) bij
por = in de omgeving van; door; langs
(Ik vind het zout niet.)
No encuentro ........ sal.

la sal = het zout. In het Spaans is sal vrouwelijk.
encontrar (ue) = vinden
encuentro = ik vind
(Wat een dag!) ........ . Llueve y llueve.
Wat een dag! Het regent alsmaar.
¡Qué día! = Wat een dag!
Het Spaans gebruikt in uitroepen geen onbepaald lidwoord na het voornaamwoord qué.
maldito, -a = ellendig
La casa está casi casi terminada.
casi casi / casi, casi = op een haar na. In spreektaal kun je de nadruk leggen op casi (bijna) door het woord te herhalen.
gelukkig niet = afortunadamente no
helaas niet = desgraciadamente no
volledig = completamente