(Jouw cake is erg zoet.)
Tu bizcocho es muy ........ .
zoet = dulce
blando, -a = zacht, slap, week
edulcorado, -a = zoet gemaakt (met edulcorante = suikervervangende zoetstof)
suave = zacht, vlak, effen
Los zapatos están (onder) ........ la mesa.
De schoenen staan onder de tafel.
debajo de = onder
zapato = schoen
al lado de = naast
encima de = boven op
fuera de = buiten (voorzetsel)
No molestar.
molestar = storen
no molestar (ook functie op smartphones) = niet storen
niet aanraken = no tocar
niet betreden = no pisar
niet roken = no fumar
¿(Welke) ........ idiomas hablas?
idioma = taal
Het woord welk(e) kan op twee manieren vertaald worden:
Qué gebruik je bij het vragen naar een definitie of direct vóór een zelfstandig naamwoord: ¿Qué es esto?, ¿Qué idiomas hablas?
Cuál(es) gebruik je zelfstandig in vragen naar een (vermoedelijke) keuze: ¿Cuál es tu deporte favorito?