¿Quién quiere (strijken) ........ mi camisa?
Wie wil mijn hemd strijken?
strijken = planchar
limpiar = poetsen
mojar = besproeien; natmaken
secar = drogen
(Wat drink jij gewoonlijk bij het eten? Water of wijn?)
¿Qué sueles beber ........ la comida? ¿Agua o vino?
en la comida = bij het eten
Ook "con la comida" is correct.
De andere voorzetsels kunnen hier niet worden gebruikt.
Voy a comprar una falda.
falda = rok
voy a comprar = ik ga kopen
jurk = vestido
overjas = abrigo
trui = jersey
¿Quieres (nog een) ........ zumo de naranja?
Wil je nog een sinaasappelsap?
otro, -a = nog een, een ander.
De andere opties zijn niet correct. Het onbepaald lidwoord wordt altijd weggelaten voor otro, -a.