De pequeño, cuando nevaba, yo siempre ........ a jugar.
Je gebruikt de imperfecto van salir (naar buiten gaan) als je een gewoonte beschrijft.
nevaba = het sneeuwde
Laura estaba hablando y (ondertussen) ........ le robaron la cartera.
mientras tanto = ondertussen, inmiddels
cartera = portefeuille
robar = stelen
encima = bovendien
tal vez = misschien
todavía = nog
(Bij het oversteken van de straat heeft Conchita haar enkel verzwikt.)
Al cruzar la calle Conchita ........ el tobillo.
torcerse (el tobillo) = (zijn enkel) verzwikken
fracturarse (el tobillo) = (zijn enkel) breken
girar = afslaan, draaien
De combinatie 'girarse el tobillo' komt niet voor.
volverse (ue) = zich omdraaien
De combinatie 'volverse el tobillo' komt niet voor.
(De zeebodem) ........ está plagado de diminutos fragmentos de plástico.
estar plagado de = vol zijn met, wemelen van
tierra = aarde, grond
base = basis
fundamento = fundament