- ¿Te traigo unas mandarinas?
- Sí, (breng ze voor me mee) ........ , por favor, si no te importa.
trae = gebiedende wijs (tú) van traer
me = voor mij (meewerkend voorwerp)
las (lijdend voorwerp): slaat terug op las mandarinas
Bij een gebiedende wijs bevestigend worden de persoonlijke voornaamwoorden erachter en eraan vast geschreven.
Op het werkwoordsdeel komt een accent om de klemtoon daar te handhaven.
Voy a prepararme un café y ........ en el balcón.
comerse, tomarse = eten, drinken. Deze constructies met se komen vooral in spreektaal voor en hebben dezelfde betekenis als comer en tomar.
me lo: bij twee persoonlijke voornaamwoorden staat het meewerkend voorwerp (me) altijd vóór het lijdend voorwerp (lo).
tomármelo: me lo worden achter het werkwoord geplaatst en eraan vast geschreven als het om een infinitief gaat.
Cuando alguien (niest) ........ , dices ¡Jesús!
estornudar = niezen
¡Jesús! = Jezus. Te vergelijken met het Nederlandse 'Gezondheid!'
llorar = huilen
sonarse (las narices) = zijn neus snuiten
toser = hoesten
Mi (oudtante) ........ vive en Lisboa.
tía abuela = oudtante, zus van grootmoeder of grootvader, echtgenote van de broer van grootmoeder of grootvader
tía mayor = oudste tante
yaya = koosnaam: grootje, oma
Het begrip abuela tía bestaat niet.