(Waar wonen jullie?)
¿Dónde ........ ?
vivir = leven; wonen
vivís = jullie leven, jullie wonen
beber = drinken
bebéis = jullie drinken
De vormen 'bebís, vivéis' komen niet voor.
(Kun je een liter melk voor me kopen?)
¿Me puedes comprar ........ ?
un litro de leche: het voorzetsel de wordt in het Spaans vaak gebruikt, waar het Nederlands een andere constructie gebruikt. Dit is het geval wanneer twee zelfstandige elementen, waarvan het eerste bijvoorbeeld een maat aanduidt, met elkaar worden verbonden: un litro de leche, un kilo de patatas.
La abuela de Nuria cumple (101) ........ años.
De grootmoeder van Nuria wordt 101 jaar.
101 = ciento un (voor een mannelijk zelfstandig naamwoord)
101 = ciento uno (bij zelfstandig gebruik)
Het woordje y staat niet tussen honderdtallen en eenheden.
¿Tienes (een briefje) ........ de diez euros para mí?
Heb je een briefje van tien euro voor mij?
billete = briefje, (bank)biljet; ticket, kaartje
boleto = briefje van loterij; (Latijns-Amerika) plaatskaartje
cartita = briefje (met bericht)
cupón = coupon; bon