¿Qué (ga je doen) ........ mañana?
¿Vamos a (zwemmen) ........ en la piscina del parque?
nadar = zwemmen
parque = park
piscina = zwembad
desayunar = ontbijten
merendar (ie) = de merienda, een tussendoortje tussen de almuerzo en de cena gebruiken
pasear = wandelen
Para alcanzar ........ fuente, tenemos que cruzar ........ puente.
Om bij de fontein te komen, moeten we de brug oversteken.
la fuente = de fontein
el puente = de brug
Hoe spreek je de x uit in examen?
In het Spaans wordt de letter x tussen twee klinkers als ks uitgesproken. De k-klank klinkt zachter dan in het Nederlands.