A los turistas no ........ ir en autocar.
Je gebruikt les omdat los turistas meervoud is.
Je gebruikt gusta omdat ir (een infinitief) enkelvoud is.
autocar = touringcar; lange-afstandsbus
¿Tienes dos (potloden) ........ para mí?
Heb je twee potloden voor mij?
un lápiz - dos lápices
Woorden die eindigen op een z, krijgen in het meervoud -ces (de z verandert in c voor een e of i).
(De grootmoeder van Claudia heeft zestien kleinkinderen.)
La abuela de Claudia tiene ........ nietos.
De getallen 16 tot en met 29 worden als één woord geschreven: dieciséis, diecisiete ... veintinueve. Vanaf 31 tot en met 99 worden ze als drie woorden geschreven: treinta y uno ... noventa y nueve.
De woorden 'diezyseis' en 'deciseis' bestaan niet.
Tengo calor y (dorst) ........ .