Mi amigo Felipe es (steward) ........ en un avión.
azafato = steward (vliegtuig)
ayudante = assistent (niet in de luchtvaart)
camarero = ober
jefe de cabina = purser
La silla está (achter) ........ la mesa.
De stoel staat achter de tafel.
detrás de = achter
al lado de = naast
debajo de = onder
encima de = boven(op); behalve
Paco tiene una tienda de campaña.
tienda = tent; winkel
tienda de campaña = kampeertent
boerderijwinkel = tienda de productos locales
kampeerwinkel = tienda de artículos de camping
marktkraam = tenderete
(Wie zijn Felipe en Letizia? De koning en koningin van Spanje.)
- ¿ ........ son Don Felipe y Doña Letizia?
- Los reyes de España.
¿quién? = wie?
Het meervoud van ¿quién? is ¿quiénes? Omdat het hier gaat om meer dan één persoon wordt het meervoud gebruikt.
¿qué? = wat?
¿Cuáles? is het meervoud van ¿cuál? = wat? welke?