Esto le parece bien a mi padre.
parecerle bien algo a alguien = iets goedvinden, iets goedkeuren
me parece bien = ik vind het goed
le parece bien = hij, zij, u vindt het goed/aan hem, haar, u lijkt het goed
a mi padre: de verwijzing naar de persoon kan voor of achter 'le' worden herhaald. Le parece bien a mi padre. = A mi padre le parece bien.
Hij lijkt erg op mijn vader. = Es el vivo retrato de mi padre./Se parece mucho a mi padre.
Dit is typisch iets voor mijn vader. = Esto es muy de mi padre.
El móvil que Víctor acababa ........ dejar en la mesilla, comenzó ........ vibrar.
acabar de + infinitief = zojuist 'gedaan' hebben
comenzar a + infinitief = beginnen te
Cuando tienes un problema, ¿ ........ cuentas a tus mejores amigos?
les = aan hen (meewerkend voorwerp, kondigt a los mejores amigos aan)
lo = het (verwijst naar un problema, lijdend voorwerp)
De combinatie les lo verandert in se lo.
Het meewerkend voorwerp staat vóór het lijdend voorwerp.
cuando tienes un problema = (altijd) als je een probleem hebt
Carlota no se da por vencida.
no darse por vencido, -a = niet afhaken; de moed niet opgeven
meespelen = participar en el juego
verliezen = perder (ie)