(Ik kom) ........ a decir adiós, mañana salgo de viaje.
Ik kom afscheid nemen, morgen ga ik op reis.
De presente van venir (ie) is: vengo, vienes, viene, venimos, venís, vienen
De vormen 'veno, viengo, vieno' zijn fout.
De vez en cuando Ernesto hace novillos.
af en toe = de vez en cuando
hacer novillos = spijbelen
nooit = nunca, jamás
regelmatig = con frecuencia
vaak = muchas veces
(Het is de derde keer dat ik je bel.)
Es ........ vez que te llamo.
Wat is een veelgebruikt synoniem voor het vetgedrukte woord?
Gracias por tu carta. ¡Qué sorpresa!
Bedankt voor je brief. Wat een verrassing!
qué/vaya = wat een...
¡qué sorpresa/vaya sorpresa! = wat een verrassing!