No he comprado nada ya que todo ........ muy caro.
Ik heb niets gekocht aangezien alles heel duur was.
todo era caro = alles was duur
Je gebruikt de imperfecto (van ser) omdat je een situatie in het verleden beschrijft.
De handeling, de gebeurtenis (je hebt niets gekocht) kan zowel indefinido als presente perfecto zijn.
Mi profesora de inglés es (Canadese) ........ .
canadiense (kleine letter bij nationaliteit) = Canadees, Canadese
Canadiense: fout gespeld vanwege hoofdletter
De vormen 'canadiensa, Canadiensa' bestaan niet.
(Als je braaf bent, zal ik je een verrassing geven.)
Si ........ , te daré una sorpresa.
ser bueno, -a = braaf zijn
estar bien = oké zijn
estar bueno, -a = er goed uit zien
Adrián trabaja como (monteur) ........ en el taller de su tío.
mecánico = monteur
taller = werkplaats; atelier; workshop
montero = jager (in de bergen)
obrero = arbeider
operario = ambachtsman, (geschoolde) arbeider